J. Worp, D. Sanderman
|
|
|
1
Verbeid niet om u te bekeren tot God de Heer', van uwe zond'. Wil ook geen uitstel meer begeren van dag tot dag, van stond tot stond.
| 2
De tijd zal worden u ontnomen wanneer de dood komt onverwacht. Want onvoorzien de Heer' zal komen, gelijk een snelle dief bij nacht.
| 3
En schoon u was veel tijd nog over, gij wordt daardoor toch beter niet, maar maakt uw zonden meer en groter, ja, raakt gans onder haar gebied.
| 4
't Is waar: de deur van Gods genade blijft voor boetvaard'gen openstaan, nochtans zo komen zij te spade, die Hem, terwijl Hij roept, versmaan.
| 5
Daar zullen velen komen lopen wanneer de deur gesloten is en bidden: Heere doe ons open, maar al hun hoop zal wezen mis.
| 6
Roep dan niet langer: morgen, morgen, noch wil niet wachten op het lest, maar wil uw ziel bijtijds verzorgen. Denk: wie nu zorgt die doet het best.
| 7
't Is nu de dag en tijd, dus heden terwijl gij Zijne stem nog hoort: verhard uw hart niet egen reden, maar breng bekeringsvruchten voort.
|
|