Ps 78 Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter oren

Verzen:


J. Worp, D. Sanderman

J. Worp, D. Sanderman


Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter oren;
Neig oor en hart, om naar mijn stem te horen;
'k Zal met mijn mond u wijze spreuken leren,
Verborgenheen, van ouds af waardig t' eren.
Mij vloeit een schat van wijsheid uit den mond,
Gelijk een bron, die voortspringt uit den grond.
Verborgenheen, met diep ontzag te melden,
Die ons voorheen de vaderen vertelden,
Die wij, hun kroost, ook niet verbergen mogen,
Die stellen wij het nageslacht voor ogen;
Des Heeren lof uit 's lands historieblaan,
Zijn sterken arm en grote wonderdaan.
Want God heeft Zijn getuigenis gegeven
Aan Jakobs huis; een wet, om naar te leven,
Die Israel zijn nageslacht moet leren,
Opdat men nooit haar kennis moog' ontberen;
God vordert, dat de naneef, eeuwen lang,
Van kind tot kind, dit onderwijs ontvang'.
Opdat z' op God hun hope stellen zouden,
In 't oog Zijn daan, in 't hart Zijn wetten houden,
En nimmermeer weerspannig God verachten,
Verdraaid en krom, als vorige geslachten,
Wier hart niet was gericht naar Zijn gebod,
Wier geest niet was getrouw met hunnen God.
Wat kon de boog den besten schutter baten?
Toen Efraim Gods wegen had verlaten,
Vlood al het heir ten dage van het strijden,
En moest aldus de zwaarste neerlaag lijden,
Op Gods verbond werd niet van hen gelet;
Zij weigerden te wandlen in Zijn wet.
Zijn wonderdaan, door niemand af te meten,
Zijn trouweloos en snood van hen vergeten;
Die wonderdaan, waardoor Egypte 's helden
Bezweken zijn in Zoans vette velden;
Daar Hij, tot troost in hunner vaadren leed,
Voor ieders oog de grootste tekens deed.
Zijn almacht wist de zee vaneen te scheiden
En 't angstig heir daar droogvoets door te leiden;
Als op een hoop deed Hij de waatren rijzen.
Hij gaf des daags, om hen den weg te wijzen,
Een wolkkolom; een licht des vuurs bij nacht;
Totdat Hij hen in 't vruchtbaar Kanan bracht.
Ook spleten zelfs de rotsen op Zijn wenken,
Geen afgrond kon het volk ooit milder drenken;
De woestenij gaf zuivre watervlieten,
Die d' Almacht uit de steenrots voort deed schieten,
Gelijk een stroom, die golvend afgegleen,
Zijn armen spreidt door al de velden heen.
Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden,
Nog pleegden z' in 't vervolg de snoodste zonden;
In 't woest gewest uit vetter land getogen,
Vergramden zij des Allerhoogsten ogen;
Verzochten God, en eisten, ten bewijs
Van Zijne macht, naar hunne lusten, spijs.
Zij spraken stout: "Kan God in wildernissen
Ook keur van spijs op onze tafel dissen?
't Is waar, Hij sloeg de rots, en deed de stromen,
In overvloed uit harde klippen komen;
Maar, is Zijn macht zo onbepaald en groot,
Hij geev' dan hier Zijn volk ook vlees en brood."
Dit hoorde God, en werd op 't hoogst verbolgen;
Zijn vuur ontstak, om Jakob te vervolgen;
De felle toorn van 't eeuwig Opperwezen
Deed Israel al sidderende vrezen;
Omdat zij niet geloofden aan Gods mond,
Noch op Zijn heil vertrouwden naar 't verbond.
Daar God, voor hen bezorgd, in hunne noden
De wolken zelfs van boven had geboden,
De hemeldeur ontsloten, mild in 't zeegnen,
En 't manna doen rondom hun tenten reegnen;
Opdat Zijn volk, ten blijk van Zijne trouw,
Dit hemelkoorn op reis genieten zou.
Elk mocht zijn brood, zo mild hem toegemeten,
Dat wonderbrood der Machtigen, nu eten;
Den teerkost, tot verzading hun gegeven
Een oostenwind werd door Hem voortgedreven,
En 't zuiden gaf, in 't aangevoerde zwerk,
Geen minder blijk van Zijn krachtdadig werk:
Toen daalde 't vlees, als stof en dichte regen,
Een grote vlucht van vooglen, neergezegen;
In menigte gelijk aan 't zand der stranden,
Viel toen vanzelf hun rijkelijk in handen;
Viel, op Gods wenk, rondom elks woning neer,
En spijsde 't heir van Isrels Opperheer.
Toen aten zij, en werden zat van eten;
Hun eetlust werd voldaan, hoe godvergeten;
Maar eer hun drift en tomeloos begeren,
Waarmee dat volk Gods almacht dorst onteren,
Verzadigd was, ziedaar de straf terstond,
Terwijl de spijs nog was in hunnen mond;
Ziedaar Gods toorn, gelijk een vuur, ontstoken;
Zijn eer werd op hun machtigsten gewroken,
Daar plaag op plaag geweldig nedervelden
't Aanzienlijkst deel, het puik van Isrels helden,
Maar 't volk ging voort, hun ongeloof hield aan;
God had vergeefs Zijn wonderen gedaan.
Daarom deed Hij in ijdelheid hun dagen
Vergaan, en, door een reeks van felle plagen,
In schrik en angst hen slijten hunne jaren.
Maar bracht Hij hen opnieuw in doodsgevaren,
Dan vraagden zij naar God, en keerden weer,
En zochten vroeg, uit bange vrees, den Heer'.
Dan dachten zij, hoe 't eeuwig Opperwezen
Hun rotssteen was, en hoe in angst voor dezen
De hoge God verlossing had gezonden;
Dan vleiden zij Hem valslijk met hun monden,
En bukten laag, omdat de nood hen drong,
Maar logen Hem met hun geveinsde tong.
Hun hart was boos, vervuld met slinkse streken;
Van Zijn verbond was groot en klein geweken,
Doch God vergaf barmhartig hunne schulden;
Verdierf ze niet, schoon zij de maat vervulden;
Hij wendde zelfs Zijn gramschap dikwijls af;
En wekte nooit Zijn ganse wraak ter straf.
Hij dacht in gunst, door hunne ramp bewogen;
Zij zijn toch vlees, zij hebben geen vermogen;
Zij zijn een wind, die gaat, en nooit zal keren,
Hoe dikwijls dorst hun wrevel God onteren!
De wildernis zag door hun boze paan
Hem bitterheen en smarten aangedaan.
Want elk ging voort in God op 't snoodst te tergen,
En nieuw bewijs van Zijne macht te vergen,
Den heilgen God van Israel te kwellen,
En paal en perk aan Zijne daan te stellen.
Zij dachten niet aan dien doorluchten tijd,
Waarin Gods hand hen had van 't juk bevrijd.
Hoe Hij Zijn oog op hen had neergeslagen,
Egypte van Zijn tekenen deed wagen,
En Zoans veld, daar Hij hen af wou zondren;
Een streng toneel deed worden van Zijn wondren;
Waar poel en beek, en groot' en kleine vloed,
Ondrinkbaar werd, en niets dan walglijk bloed.
Hij zond een heir, door niemands hand te weren,
Veel ongediert', om alles te verteren;
Zijn grote kracht deed vorsen uit de stromen,
Tot wis bederf van gans Egypte, komen;
Hij gaf 't gewas, met vlijt gekweekt, en 't kruid
Den kruidworm en den sprinkhaan tot een buit.
De wijnstok werd door hagel neergesmeten,
De wilde vijg daardoor vaneen gereten;
De landman zag zijn vruchtbaar veld bederven,
Zijn kleiner vee door zwaren hagel sterven;
Zijn beesten door den fellen bliksem slaan,
En jammerlijk door vuur en vlam vergaan.
Ook zond Hij toorn, verbolgenheid en noden,
Verstoordheid, angst en vreeslijk' onheilsboden;
Hij baand' een weg voor Zijne grimmigheden,
Waarlangs de wraak zou treen met wisse schreden:
Hun ziel werd niet onttrokken aan het graf;
Terwijl Hij 't vee aan 't pestvuur overgaf.
Egypteland zag al het eerstgeboren,
Door 's hemels wraak geslagen en verloren;
De dood der jeugd, 't beginsel van Chams krachten,
Vervulde tent en veld met jammerklachten;
Waaruit Gods volk als schapen werd geleid,
En vrij en blij op Parans grond geweid.
Ja, zonder vrees mocht Isrel veilig trekken;
Het zag de zee zijn haatren overdekken;
Want God, hun God, bracht hen, bevrijd van banden,
Naar 't land, door Hem geheiligd uit de landen,
Tot dezen berg, dien Zijne hand verkreeg,
En die daarna ten hoogsten luister steeg.
Het heidendom werd voor hen weggedreven;
Aan elk, naar 't snoer, zijn erfenis gegeven;
En Isrel mocht in eigen tenten wonen.
Maar 't wufte volk ging voort met God te honen,
Verzocht den Heer', versmaadde Zijn gebied,
En hield het recht des Allerhoogsten niet.
Zij weken af door trouwelozen handel,
En volgden dus der vaadren snoden wandel;
Zo keren zich bedriegelijke bogen,
Waardoor somwijl de schutter wordt bedrogen,
Des Heeren toorn en ijver werd getergd,
Door beeldendienst en hoogten op 't gebergt'.
Dit hoorde God, en heeft, op 't felst ontstoken,
Dit boos bestaan op Israel gewroken,
Dat volk versmaad met beelden en altaren;
Dies liet Hij tent en tabernakel varen,
Die Hij zich daar ter woning had gesticht,
En tot Zijn eer te Silo opgericht.
Het onderpand van 't heerlijk alvermogen,
Zijn heilig' ark, gaf Hij, voor Isrels ogen,
Den Filistijn in d' ongewijde handen;
Zijn volk ten zwaard', of in de slaafse banden.
Gods Majesteit, getergd, zag van omhoog
Zijn erfnis aan, met een verbolgen oog.
Het vuur verslond de strijdbre jongelingen,
Der maagden lof vergat men op te zingen;
Hun priesterschap, hoe hoog door God verheven,
Werd, laag verneerd, aan 't zwaard ten prooi gegeven;
En d' arme weeuw bezweek van zielsverdriet,
Of zat door schrik verstomd, en weende niet.
Toen stond God op met gunstige gedachten,
Als na een slaap ontwaakt met nieuwe krachten;
Ja, als een held, ontzagglijk in zijn gangen,
Die nieuwen moed heeft door den wijn ontvangen;
En sloeg tot smaad, met Zijn geduchte hand,
Het uiterst, deel van 's vijands ingewand.
Doch Jozefs tent liet Hij verachtlijk varen,
In Efraim verkoos Hij geen altaren;
Maar Hij had lust, in Judas stam te wonen,
Om daar Zijn macht en heerlijkheid te tonen
Op Sions berg, dien 's werelds Opperheer
Bemind' en koos ten zetel van Zijn eer.
Daar bouwde Hij als hoogten Zijne muren,
Zijn heiligdom, dat d' eeuwen zou verduren;
Gelijk deez' aard', gegrond door Zijne krachten,
In eeuwigheid geen wanklen heeft te wachten,
Held David, dien Hij van de schaapskooi nam,
Verkoos Hij zich tot vorst uit Judas stam.
Hij deed Zijn knecht van achter 't vee zich spoeden,
Om Jakobs zaad, Zijn dierbaar volk, te hoeden,
Zijn Israel, ten erfdeel Hem verkregen,
Dus heeft die vorst geheerst met roem en zegen,
Gods volk oprecht en met verstand geweid,
En 't rijk beschermd door dapper krijgsbeleid.

Bron: Psalm 78 J.E. Voet


Ps 90 Gij zijt, o Heer', van d' allervroegste jaren / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 90



Z 8 Morgenzang / H. Ghijzen - MZ
Ps 119 Welzalig zijn d' oprechten van gemoed / J.E. Voet - Psalm 119
Ps 80 Neem Isrels Herder, neem ter oren / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 80
Ps 148 Looft God, zingt eeuwig 's Heeren lof / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 148
Z12 Avondzang / H. Ghijsen - AZ
Ps 149 Looft, looft den Heer', dien onbedwongen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 149
Ps 49 Gij, volken, hoort; waar g' in de wereld woont / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 49
Ps 59 Red mij, o God, uit 's vijands handen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 59
Ps 46 God is een toevlucht voor de Zijnen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 46
Ps 134 Looft, looft nu aller heren Heer' / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 134
Ps 93 De Heer' regeert; de hoogste Majesteit / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 93
Ps 133 Ai, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen / J.E. Voet - Psalm 133
Ps 38 Groot en eeuwig Opperwezen / J.E. Voet - Psalm 38
Ps 139 Niets is, o Oppermajesteit / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 139
Ps 124 Dat Israel nu zegge, blij van geest / J.E. Voet - Psalm 124
Ps 14 De trotse dwaas zegt in zijn boos gemoed / J.E. Voet - Psalm 14
Ps 57 Gena, o God, gena, hoor mijn gebeen / J.E. Voet - Psalm 57
Ps 92 Laat ons den rustdag wijden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 92
Ps 74 Waarom, o God, zijn wij in eeuwigheid / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 74
Ps 6 O Heer', Gij zijt weldadig / J.E. Voet - Psalm 6
Ps 54 O God, verlos mij uit den nood / J.E. Voet - Psalm 54
Ps 26 O Heer', doe Gij mij recht. / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 26
Ps 41 Welzalig hij, die zich verstandig draagt / J.E. Voet - Psalm 41
Z 6 Twaalf Artikelen / J.E. Voet - TA
Ps 100 Juich aarde, juich alom den Heer' / H. Ghijsen - Psalm 100
Ps 140 O Heer', verlos mij uit de banden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 140
Ps 68 De Heer' zal opstaan tot den strijd / J.E. Voet - Psalm 68
Ps 83 Zwijg niet, o God, houd U niet doof / J.E. Voet - Psalm 83
Ps 25 'k Hef mijn ziel, o God der goden / J.E. Voet - Psalm 25
Ps 63 O God, Gij zijt mijn toeverlaat / J.E. Voet - Psalm 63
Ps 39 Ik zei: "Nu zal ik letten op mijn paan / J.E. Voet - Psalm 39
Z 3 Lofzang van Zacharias / Laus Deo, Salus Populo - LvZ
Ps 42 't Hijgend hert, der jacht ontkomen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 42
Ps 66 Juich, aarde, juich met blijde galmen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 66
Z10 Bedezang voor het eten / H. Ghijsen - BvE
Ps 91 Hij, die op Gods bescherming wacht / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 91
Ps 82 In d' achtbre Godsvergaderingen / H. Ghijsen - Psalm 82
Ps 120 'k Riep tot den Oorsprong aller dingen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 120
Ps 97 God heerst als Opperheer / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 97
Ps 135 Prijst den Naam van uwen God / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 135
Ps 94 Verschijn nu blinkend, God der wrake / J.E. Voet - Psalm 94
Ps 103 Loof, loof den Heer', mijn ziel / J.E. Voet - Psalm 103
Ps 7 O Heer', mijn God, volzalig Wezen / J.E. Voet - Psalm 7
Ps 45 Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen / J.E. Voet - Psalm 45
Ps 96 Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere / J.E. Voet - Psalm 96
Ps 13 Hoe lang, o Heer', mijn toeverlaat / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 13
Ps 62 Mijn ziel is immers stil tot God / J.E. Voet - Psalm 62
Ps 12 Behoud, o Heer', wil ons te hulpe komen / J.E. Voet - Psalm 12
Ps 4 Wil mij, wanneer ik roep, verhoren / H. Ghijsen - Psalm 4
Ps 123 Ik hef tot U, die in den hemel zit / H. Ghijsen - Psalm 123
Ps 27 God is mijn licht, mijn heil, wien zou ik vrezen? / J.E. Voet - Psalm 27
Ps 22 Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij / J.E. Voet - Psalm 22
Ps 98 Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere / J.E. Voet - Psalm 98
Ps 86 Neig, o Heer', Uw gunstig' oren / J.E. Voet - Psalm 86
Ps 61 Wil, o God, mijn bede horen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 61
Ps 31 Op U betrouw ik, Heer' der heren / J.E. Voet - Psalm 31
Ps 129 Men heeft mij fel benauwd van jongs af aan / J.E. Voet - Psalm 129
Ps 34 Ik loof den Heer', mijn God / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 34
Ps 9 Ik zal met al mijn hart den Heer' / J.E. Voet - Psalm 9
Ps 109 O God, zo waardig mijn gezangen / J.E. Voet - Psalm 109
Ps 131 Mijn hart verheft zich niet, o Heer' / J.E. Voet - Psalm 131
Ps 95 Komt, laat ons samen Isrels Heer / J.E. Voet - Psalm 95
Ps 23 De God des heils wil mij ten Herder wezen. / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 23
Ps 81 Zingt nu blij te moe / J.E. Voet - Psalm 81
Ps 116 God heb ik lief / J.E. Voet - Psalm 116
Ps 10 Waarom, o Heer', blijft Gij van verre staan? / J.E. Voet - Psalm 10
Z 1 Mijn ziel, herdenk met heilig beven / J.E. Voet - TG
Ps 127 Vergeefs op bouwen toegelegd / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 127
Ps 44 O God, wij mochten met onz' oren / J.E. Voet - Psalm 44
Ps 64 't Behaag' U, mij gehoor te geven / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 64
Ps 8 Heer', onze Heer, grootmachtig Opperwezen / J.E. Voet - Psalm 8
Ps 3 Hoe vreeslijk groeit, o God / J.E. Voet - Psalm 3
Ps 16 Bewaar mij toch, o alvermogend God / J.E. Voet - Psalm 16
Ps 32 Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven / J.E. Voet - Psalm 32
Ps 67 D' algoede God zij ons genadig / H. Ghijsen - Psalm 67
Z13 Eigen geschrift Davids / Abraham van der Meer - EgD
Ps 138 'k Zal met mijn ganse hart Uw eer / J.E. Voet - Psalm 138
Ps 147 Laat 's Heeren lof ten hemel rijzen / J.E. Voet - Psalm 147
Ps 104 Waak op, mijn ziel, loof d' Oppermajesteit / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 104
Ps 88 O God mijns heils, mijn toeverlaat / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 88
Ps 52 Waartoe u dus beroemd in 't kwade / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 52
Ps 58 O, gij vergadering, gezeten / J.E. Voet - Psalm 58
Ps 115 Niet ons, o Heer', niet ons, Uw Naam alleen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 115
Ps 77 Mijn geroep, uit angst en vrezen / J.E. Voet - Psalm 77
Ps 35 Twist met mijn twisters, hemelheer / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 35
Z11 Dankzang na het eten / H. Ghijsen - DnE
Ps 73 Ja waarlijk, God is Isrel goed / J.E. Voet - Psalm 73
Ps 50 Der goden God verheft Zijn stem met macht / J.E. Voet - Psalm 50
Ps 51 Gena, o God, gena, hoor mijn gebed / J.E. Voet - Psalm 51
Ps 18 'k Betrouw op God, Hij is mijn schild in 't strijden / J.E. Voet - Psalm 18
Ps 114 Toen Israel 't Egyptisch rijksgebied / J.E. Voet - Psalm 114
Ps 132 Gedenk aan David, aan zijn leed / J.E. Voet - Psalm 132
Ps 76 God is bekend bij Judas stam / J.E. Voet - Psalm 76
Ps 40 'k Heb lang den Heer' in mijnen druk verwacht / J.E. Voet - Psalm 40
Ps 89 'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen / J.E. Voet - Psalm 89
Ps 121 'k Sla d' ogen naar 't gebergte heen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 121
Ps 112 Zingt, zingt den lof van 't Opperwezen / J.E. Voet - Psalm 112
Ps 146 Prijs den Heer' met blijde galmen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 146
Ps 150 Looft God, looft zijn Naam alom / H. Ghijsen - Psalm 150
Ps 33 Zingt vrolijk, heft de stem naar boven / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 33
Ps 21 O Heer', de Koning is verheugd / J.E. Voet - Psalm 21
Ps 84 Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot / J.E. Voet - Psalm 84
Ps 145 O God, mijn God, Gij aller vorsten Heer' / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 145
Ps 144 Gezegend zij de Heer', die t' allen tijde / J.E. Voet - Psalm 144
Ps 102 Hoor, o Heer', verhoor mijn smeken / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 102
Ps 101 'k Zal van de deugd der milde goedheid zingen / J.E. Voet - Psalm 101
Ps 87 Zijn grondslag, zijn onwrikbre vastigheden / J.E. Voet - Psalm 87
Ps 107 Looft, looft den Heer' gestadig / J.E. Voet - Psalm 107
Ps 113 Gij 's Heeren knechten, looft den Heer' / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 113
Ps 108 Mijn hart, o Hemelmajesteit / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 108
Ps 1 Welzalig hij, die in der bozen raad / J.E. Voet - Psalm 1
Ps 106 Looft God, den trouwen Opperheer / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 106
Ps 85 Gij hebt Uw land, o Heer', die gunst betoond / J.E. Voet - Psalm 85
Ps 136 Looft den Heer', want Hij is goed / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 136
Ps 19 Het ruime hemelrond / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 19
Ps 122 Ik ben verblijd, wanneer men mij / H. Ghijsen - Psalm 122
Ps 11 Op God alleen betrouw ik in mijn noden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 11
Ps 15 Wie zal verkeren, grote God / J.E. Voet - Psalm 15
Ps 24 Al d' aard' en alles wat zij geeft / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 24
Ps 28 Ik roep tot U, o eeuwig Wezen! / J.E. Voet - Psalm 28
Ps 55 O God, neem mijn gebed ter oren / J.E. Voet - Psalm 55
Ps 141 'k Roep, Heer', in angst tot U gevloden / J.E. Voet - Psalm 141
Ps 17 't Behaag' U, Heer', naar mijn gebed / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 17
Ps 36 Het trots gedrag des bozen doet / J.E. Voet - Psalm 36
Ps 105 Looft, looft, verheugd den Heer' der heren; / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 105
Ps 29 Aardse machten, looft den Heer'! / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 29
Ps 47 Juicht, o volken, juicht / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 47
Ps 71 'k Betrouw op U, hoor mijn gebeden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 71
Ps 75 U alleen, U loven wij / H. Ghijsen - Psalm 75
Ps 48 De Heer' is groot; elk zing' Zijn lof / J.E. Voet - Psalm 48
Ps 143 O Heer, wil mijn gebeden horen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 143
Ps 56 Gena, o God, bescherm mij door Uw hand / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 56
Ps 111 Looft, Hallelujah, looft den Heer' / J.E. Voet - Psalm 111
Ps 125 Hij zal noch wanklen, noch bezwijken / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 125
Ps 126 Wanneer de Heer', uit 's vijands macht / H. Ghijsen - Psalm 126
Ps 118 Laat ieder 's Heeren goedheid loven / J.E. Voet - Psalm 118
Ps 137 Wij zaten neer, wij weenden langs de zomen / J.E. Voet - Psalm 137
Ps 69 O God, verlos en red mij uit den nood / J.E. Voet - Psalm 69
Ps 60 O God, hoe hebben wij getreurd / J.E. Voet - Psalm 60
Ps 117 Loof, loof den Heer', gij heidendom / J.E. Voet - Psalm 117
Z 4 Lofzang van Simeon / Laus Deo, Salus Populo - LvS
Ps 72 Geef, Heer', den Koning Uwe rechten / J.E. Voet - Psalm 72
Ps 128 U mag men zalig heten / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 128
Ps 70 Daal haastig ter verlossing neer / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 70
Ps 53 De trotse dwaas zegt in zijn boos gemoed / J.E. Voet - Psalm 53
Z 5 Gebed des Heeren / J.E. Voet - GdH
Ps 5 Neem, Heer', mijn bange klacht ter oren / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 5
Ps 79 Getrouwe God, de heidnen zijn gekomen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 79
Ps 65 De lofzang klimt uit Sions zalen / J.E. Voet - Psalm 65
Z 7 Bedezang voor de predikatie / H. Ghijsen - BvP
Z 2 Lofzang van Maria / J.E. Voet - LvM
Ps 20 Dat op uw klacht de hemel scheure / J.E. Voet - Psalm 20
Ps 2 Wat drift beheerst het woedend heidendom / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 2
Ps 130 Uit diepten van ellenden / H. Ghijsen - Psalm 130
Ps 30 Ik zal met hart en mond, o Heer' / J.E. Voet - Psalm 30
Ps 43 Geduchte God, hoor mijn gebeden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 43
Ps 37 Wees over 't heil der bozen niet ontstoken; / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 37
Ps 142 'k Riep tot den Heer' met luider stem / J.E. Voet - Psalm 142
Ps 110 Dus heeft de Heer' tot mijnen Heer' gesproken / J.E. Voet - Psalm 110
Ps 90 Gij zijt, o Heer', van d' allervroegste jaren / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 90
Ps 99 God, de Heer', regeert / J.E. Voet - Psalm 99



Deze site is nog in ontwikkeling, commentaar en suggesties zijn zeer welkom!
Stuur gerust een e-mail om andere gezangen aan te vragen.

Over Gezangboek.nl

Contact