Ps 119 Welzalig zijn d' oprechten van gemoed

Verzen:


J. Worp, D. Sanderman

J. Worp, D. Sanderman


Welzalig zijn d' oprechten van gemoed,
Die, ongeveinsd, des Heeren wet betrachten;
Die Hij op 't spoor der godsvrucht wandlen doet;
Welzalig, die, bij dagen en bij nachten,
Gods wil bepeinst, en Hem als 't hoogste goed,
Van harte zoekt met ingespannen krachten.
Die, wars van 't kwaad, niet in de zonde leeft;
Maar zijnen gang bestiert naar 's Heeren wetten.
Gij, grote God, die ons bevelen geeft,
Gij eist, dat w' op Uw woord gestadig letten,
En dat w' ons hart, aan Uwen wil verkleefd,
Geduriglijk op Uwe wegen zetten.
Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!
Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken!
'k Hield dan Uw wet, dan leefd' ik onbevreesd;
Dan zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken,
Wanneer ik steeds opmerkend waar' geweest,
Hoe Uw geboon mij tot Uw liefde wekken.
Ik zal, oprecht van hart, Uw Naam, o Heer',
Gestaag den roem van Uwe grootheid geven,
Als ik 't gezag en 't heilig oogmerk leer
Van 't vlekkloos recht, door Uwe hand beschreven.
'k Zal Uw geboon bewaren tot Uw eer;
Verlaat mij toch niet ganslijk in dit leven.
Waarmede zal de jongeling zijn pad,
Door ijdelheen omsingeld, rein bewaren?
Gewis, als hij het houdt naar 't heilig blad.
U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren;
Laat mij van 't spoor, in Uw geboon vervat,
Niet dwalen, Heer' ; laat mij niet hulploos varen.
'k Heb in mijn hart Uw rede weggelegd,
Opdat ik mij mocht wachten voor de zonden.
Gij zijt, o Heer' , gezegend; leer Uw knecht
Door 't Goddlijk woord, een helder licht bevonden,
En door Uw Geest, al d' eisen van Uw recht;
Zo wordt Uw eer nooit stout door mij geschonden.
'k Heb andren al de rechten van Uw mond
Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen.
Uit al den schat van 't grote wereldrond
Is nooit de vreugd in mijn gemoed gerezen,
Die 'k steeds in Uw getuigenissen vond,
Door mij betracht, en andren aangeprezen.
Ik zal, o God, bepeinzen Uwe wet,
In 't onderzoek van Uw bevelen waken;
Terwijl mijn ziel op Uwe paden let.
In Uw geboon zal zich mijn geest vermaken,
En, daar ik hulp verwacht op mijn gebed,
Uw heilig woord vergeten, noch verzaken.
Doe bij Uw knecht weldadigheid, o Heer',
Opdat ik leev', Uw woorden moog' bewaren,
En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer',
Mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren;
Dat mijne ziel de wondren zie en eer',
Die in Uw wet alom zich openbaren.
Ik ben, o Heer', een vreemdling hier beneen;
Laat Uw geboon op reis mij niet ontbreken;
Daar mijne ziel, omringd door duisterheen,
Zo dikwijls van verlangen is bezweken,
Om U te zien ter hoge vierschaar treen,
Tot straf van hen, die snood zijn afgeweken.
Gij scheldt en straft vervloekte hovaardij,
Gewend op wijd van Uw geboon te dwalen.
Dat toch Uw gunst mijn ziel van smaad bevrij',
Die op mijn hoofd verachtlijk neer zou dalen;
Daar 'k U mijn dienst, naar Uw getuignis, wij',
Om nooit Uw straf mij op den hals te halen.
Wanneer ik zelfs door vorsten werd beticht,
In 't hoog gestoelt' op Uwen knecht gebeten,
Heb ik mijn weg naar Uw geboon gericht,
En die betracht met een oprecht geweten;
Ook waren zij mijn raadslien en mijn licht;
'k Heb, met vermaak, mijn tijd daarin gesleten.
Hoe kleeft mijn ziel aan 't stof! Ai, zie mijn nood;
Herstel mij, doe mij naar Uw woord herleven.
'k Lei voor Uw oog mijn weg en handel bloot;
En welk een angst mij immermeer deed beven,
Gij hebt verhoord; maak voorts Uw weldaan groot,
En laat Uw wet mij onderrichting geven.
Och, dat ik klaar en onderscheiden zag,
Hoe 'k mij naar Uw bevelen moet gedragen,
Uw wondren recht betrachten dag aan dag!
Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen;
Ai, richt mij op, verander mijn geklag;
Wil, naar Uw woord, mij gunstig onderschragen.
Weer snood bedrog, o God, van mijn gemoed;
Laat Uw gena mij Uwe wetten leren.
Ik kies den weg der waarheid voor mijn voet,
Om mij van 't pad der zonden af te keren;
Uw rechten, die zo heilig zijn en goed,
Steld' ik mij voor; die wil ik needrig eren.
Mijn hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd;
Het zal op uw getuigenissen hopen;
Beschaam mij niet; wil mij, in U verheugd,
Tot Uwe vrees, o Heer, gestadig nopen.
Als Gij mijn hart verwijdt door ware vreugd,
Zal ik het pad van Uw geboden lopen.
Leer mij, o Heer', den weg, door U bepaald;
Dan zal ik dien ten einde toe bewaren;
Geef mij verstand, met Goddlijk licht bestraald;
Dan zal mijn oog op Uwe wetten staren;
Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt;
Dan zal zich 't hart met mijne daden paren.
Doe mij op 't pad van Uw geboden treen;
Schraag op dat spoor mijn wankelende gangen;
Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.
Ai, neig mijn hart en vurig zielsverlangen,
O Heer', naar Uw getuigenis alleen;
Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen.
Wend, wend mijn oog van d' ijdelheden af;
Verlevendig mijn hart door Uwe wegen;
Dat mij 't betreen dier paden vreugd verschaff',
Bevestig toch aan Uwen knecht den zegen,
Waartoe Uw woord hem blijde hope gaf;
Hij is oprecht tot Uwe vrees genegen.
Weer van mij af de smaadheid, die ik vrees;
Uw rechten, Heer', zijn goed en vrij van vlekken,
Waarom ik die gestaag als heilig prees.
Zie al mijn lust tot Uw bevel zich strekken;
Och, dat er kracht en leven in mij reez'!
Wil die door Uw gerechtigheid verwekken.
Dat mij, o Heer', Uw goedertierenheid
Toch overkoom', naar Uw beloftenissen;
Dan geef ik aan mijn smader juist bescheid;
Dan zal hij op zijn schimp geen antwoord missen;
Want ik vertrouw op 't woord, mij toegezeid;
Geen leed zal 't ooit uit mijn geheugen wissen.
Ai, ruk het woord der waarheid niet te zeer
Van mijnen mond; ik hoop op Uwe rechten,
Waarin Gij trouw gezorgd hebt voor Uw eer!
Dan houd ik steeds, o God, met al Uw knechten,
Uw heilge wet; dan zal ik meer en meer
Daar eeuwig en altoos het hart aan hechten.
Dan wandel ik vol moeds op ruimer baan,
Omdat mijn ziel gezocht heeft Uw bevelen;
Dan doe ik zelfs aan koningen verstaan,
Hoezeer mij Uw getuigenissen strelen;
Dan zal ik mij niet schamen, noch Uw daan
Uit slaafs ontzag of dwaze vrees verhelen.
'k Zal Uw geboon, die ik oprecht bemin,
Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten;
Ik reken die mijn allergrootst gewin;
Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten;
Ik heb ze lief en zal met hart en zin,
Al 't geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten.
Gedenk aan 't woord, gesproken tot Uw knecht,
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven;
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd,
Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;
Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd,
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
't Hovaardig volk heeft mij op 't felst bespot;
'k Ben echter niet van Uwe wet geweken;
Ik dacht, o Heer', aan hun rampzalig lot,
En Uw gericht, van ouds af reeds gebleken,
Hoe kort van duur is al het aards genot!
'k Heb mij getroost, mijn ziel is niet bezweken.
Daar ik moet zien, hoe snoodaards Uwe wet
Verlaten, heeft beroering mij bevangen;
Maar van het recht, dat Gij hebt ingezet,
Heb ik gemaakt mijn blijde lofgezangen;
In vreemdlingschap heeft niets die vreugd belet,
Wat nijpend leed daar mijn gemoed mocht prangen.
'k Heb, Heer', des nachts aan Uwen Naam gedacht,
Uw wet bewaard, Uw deugden niet vergeten;
Dat heil, dien troost hebt Gij mij toegebracht,
En zoveel tijds heb ik met vreugd gesleten,
Omdat ik Uw bevelen nam in acht,
En die bewaard' in een oprecht geweten.
De Heer' is mijn genoegzaam deel, mijn goed;
Ik heb gezegd: "Ik zal Uw woord bewaren".
'k Heb U gebeen met mijn geheel gemoed,
Dat zich Uw heil aan mij mocht openbaren;
Wees naar Uw woord genadig; ai, behoed,
Behoed Uw knecht, en red hem uit gevaren.
Ik heb bedaard mijn wegen nagegaan,
Mijn voet gekeerd tot Uw getuigenissen,
En mij gehaast, die paden in te slaan,
Waarin mijn ziel zich nimmer kan vergissen;
'k Heb niet vertraagd, om op die effen baan,
Het doel van Uw geboden niet te missen.
Een goddloos rot heeft mij ten roof gesteld;
Nochtans heb ik Uw wetten niet vergeten;
Te middermacht heb ik Uw lof vermeld;
Dan sta ik op, om met een blij geweten
Het recht, dat Uw gerechtigheid verzelt,
Tot Uwen roem ten breedste uit te meten.
Ik ben een vriend, ik ben een metgezel
Van allen, die Uw Naam ootmoedig vrezen,
En leven naar Uw Goddelijk bevel.
O Heer', hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen!
Gij doet op aard, aan alle schepslen wel;
Och, wierd ik in Uw wetten onderwezen!
Gij hebt veel goeds bij Uwen knecht gedaan;
Hem, naar Uw woord, gered uit al zijn noden;
Leer mij, o Heer', een goeden zin verstaan,
En wetenschap, der dwazen waan ontvloden;
Wijs Gij mij zelf den weg der waarheid aan,
Naardien ik heb geloofd aan Uw geboden.
'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in;
Maar nu, geleerd, houd ik Uw woord en wegen.
Wat zijt Gij goed! Wat schenkt Uw mensenmin
Aan ieder, die U vreest, al milden zegen!
Leer mij Uw wet in haren rechten zin,
En maak mijn hart tot Uw geboon genegen.
't Hoogmoedig volk dicht leugens tegen mij;
Doch ik bewaar van harte Uw bevelen.
Hun hart is vet als smeer, vol hovaardij;
Dies zullen zij in Uwe gunst niet delen;
Maar Uwe wet, waarin ik mij verblij',
Zal met het zoetst vermaak mijn zinnen strelen.
't Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest,
Opdat ik dus Uw Goddlijk recht zou leren;
Sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd.
Ai, doe mij steeds Uw wil als heilig eren;
Ver boven goud en zilver, en wat meest
Den mens bekoort, zal ik Uw wet waarderen.
Uw hand heeft mij gemaakt en toebereid;
Ai, maak mij ook verstandig in Uw wetten;
Zo leer ik Uw geboon en heiligheid.
Al wie U vreest, zal op mijn heilstaat letten,
Verheugd, dat ik, door Uwe hand geleid,
Niet vruchtloos op uw woord mijn hoop mocht zetten.
Ik weet, o Heer', dat Uw gerichten zijn
Gerechtigheid, en Gij mij liet verdrukken
Uit enkle trouw. Och, dat Uw gunst verschijn',
Om mij uit angst en nijpend leed te rukken!
Troost mij, Uw knecht, die nu angstvallig kwijn;
Mij is die troost beloofd in ongelukken.
Breng over mij al Uw barmhartigheen,
Opdat ik leev'; want al mijn vergenoegen,
Al mijn vermaak, is in Uw wet alleen.
Beschaam, die zo hovaardig zich gedroegen,
Wier leugentong zo vals mij heeft bestreen;
Doch ik wil mij naar Uw geboden voegen.
Dat ieder, die U vreest, zich tot mij keer';
Die kundig is in Uw getuigenissen,
Maak, dat mijn hart oprecht Uw lessen eer';
Dat niets die ooit uit mijne ziel moog' wissen,
Opdat ik niet beschaamd word'; laat, o Heer',
Laat mij die gunst op aarde nimmer missen.
Mijn ziel bezwijkt, zij is gans afgemat,
Daar z' aan Uw heil met al haar lust blijft hangen,
Waarop Uw woord mij hoop gegeven had.
Mijn ogen zijn bezweken van verlangen
Naar 't geen mij was beloofd, terwijl ik bad:
"Wanneer, o God, zal ik Uw troost ontvangen?"
Ik ben, helaas, een leedren zak gelijk,
Die al zijn vocht heeft in den rook verloren;
Hoewel ik niet van Uwe wetten wijk.
Hoelang blijft nog Uw knecht dit leed beschoren?
Wanneer zult Gij, opdat mijn onschuld blijk',
Hen rechten, die mijn rust, uit wrevel, storen?
Een listig volk heeft, boos en trots van aard,
Tot mijnen val een diepen put gegraven;
Hoezeer Uw wet daartegen zich verklaart.
Al Uw geboon zijn waarheid; 'k wil die staven.
Ik word vervolgd, met leugentaal bezwaard;
Help mij, o Heer', ten spijt dier zondeslaven.
Zij hebben mij bijkans op aard' vernield,
Maar ik bleef Uw bevelen dierbaar achten.
Ai, beur mij op; laat mij, met moed bezield,
Weer leven, en op Uwe goedheid wachten;
Dan zal ik steeds, daar mij Uw trouw behield,
't Getuigenis van Uwen mond betrachten.
O Heer', Uw woord bestaat in eeuwigheid,
Daar 't hemelheir zich schikt naar Uw bevelen;
In Uwe trouw, zo gunstig toegezeid,
Zal elk geslacht, ja ,t eind der eeuwen delen;
Deez, aard' is hecht door Uwe hand bereid;
Haar stand blijft vast, al wisslen haar tonelen.
De hemel blijft nog met den aardkloot staan,
Naar Uw bevel; zij alle zijn Uw knechten.
Ik waar' reeds lang in mijnen druk vergaan,
Indien ik mij met Uwe wet en rechten,
Tot mijn vermaak en troost, niet had beraan,
Om aan Uw trouw alleen mijn hoop te hechten.
'k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord,
Want ik ontving door Uw bevelen 't leven,
'k Ben d' Uwe, Heer'; geleid mij ongestoord;
Behoud mij toch, naar 't woord aan mij gegeven;
Ik heb met lust Uw wetten nagespoord,
En die gezocht, door Uwen Geest gedreven.
Der bozen schaar heeft lang op mij gewacht,
Om mij te doen vergaan in mijn ellenden;
Ik neem op Uw getuigenissen acht.
Waar ik het oog op aarde heen moog' wenden,
't Volmaaktste vindt een eind', en derft zijn kracht,
Maar Uw gebod is wijd, en zal nooit enden.
Hoe lief heb ik Uw wet! Het is mijn doel,
Den gansen dag haar ijvrig te betrachten.
Hoe listig ook mijn snode vijand woel',
'k Heb wijzer geest en edeler gedachten
Door Uw geboon, wier kracht ik staag gevoel,
Die 'k eeuwig zal met heilgen eerbied achten.
Ik overtref mijn leraars in beleid,
Want ik betracht al Uw getuigenissen;
Ik overtref zelfs in voorzichtigheid
De grijsaards, die de ware godsvrucht missen;
'k Bewaard' Uw wet, die zulk een licht verspreidt,
En van mijn heil mij best kan vergewissen.
Ik heb mijn voet geweerd van kwade paan,
Opdat ik steeds Uw woord zou onderhouden;
'k Heb mij gewacht die wegen in te slaan,
Die mij van 't spoor der deugd verbijstren zouden;
Want Gij hebt mij geleerd daarin te gaan,
Met allen, die op Uwen Naam betrouwden.
Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest!
Geen honig kon 't gehemelt' beter smaken;
Alleen door Uw bevelen krijgt mijn geest
Verstand van God en Goddelijke zaken;
Dies heb ik al de leugenpaan gevreesd,
En zal bedrog en slinkse wegen wraken.
Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Mijn pad ten licht, om 't donker op te klaren.
Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed
Bevestigen, in al mijn levensjaren,
Dat ik Uw wet, die heilig is en goed,
Door Uw gena bestendig zal bewaren.
Ik ben op 't diepst verdrukt; ai, schenk mij, Heer',
Vernieuwde kracht, sterk naar Uw woord mijn leven.
Merk op in gunst, mijn God, hoe ik U eer;
Hoe hart en mond vrijwillig, offers geven;
Ai, zie daarop met welgevallen neer;
Laat in mijn hart Uw rechten zijn geschreven.
Mijn ziel is in mijn hand, steeds in gevaar;
'k Verlies nochtans Uw wet niet uit mijn ogen.
Zij blijft mijn doel; en schoon een boze schaar
Mij strikken heeft gelegd door list en logen,
Ben ik van Uw bevelen hier of daar
Niet afgedwaald, noch tot hun kwaad bewogen.
Ik heb voor mij al Uw getuigenis,
Ter eeuwig' erv', volvaardig aangenomen,
Naardien mijn hart daardoor vervrolijkt is.
Ik heb gepoogd, mijn lusten in te tomen,
En 't hart geneigd, om eeuwig en gewis,
Ten einde toe, Uw wetten na te komen.
'k Haat ranken, vol van kwaad, en bittre vrucht,
Maar ik bemin met al mijn hart Uw wetten.
Gij zijt mijn schild, de rots, waarheen ik vlucht;
Gij kunt en wilt mijn ondergang beletten;
'k Vertrouwd' op U, en 't blijft nog staag mijn zucht,
Om op Uw woord mijn vaste hoop te zetten.
Gij bozen, wijkt, opdat ik steeds 't gebod
Van mijnen Heer' nauwkeurig moog' bewaren.
Schraag mij naar Uw beloften, o mijn God,
Opdat ik leev', U lovend, op mijn snaren;
Dat niemand mijn verwachting ooit bespott';
Ai, laat die mij toch nooit beschaamdheid baren.
Wees Gij mijn steun, dan zal ik, vrij van leed,
Mij dag aan dag in Uw geboon vermaken.
Maar Gij, o Heer', die mij behoudt, vertreedt
En stoot hen weg, die Uwe wet verzaken;
Want hun bedrog is leugen; 't is gesmeed
Tot mijn verderf, maar 't zal hen zelf genaken.
Al 't goddloos volk verdoet G' als schuim van d' aard';
Dies zal ik Uw getuigenissen vrezen.
Het heeft mijn ziel verschrikkingen gebaard,
Ja, zelfs is mij het haar te berg' gerezen,
Als ik op Uw gerichten heb gestaard;
Uw oordeel, Heer', kan niet dan vreeslijk wezen.
Gerechtigheid en recht heb ik gedaan;
Geef mij dan niet in 's onderdrukkers handen;
Wees Gij mijn borg, en neem de rechtzaak aan
Van Uwen knecht, daar Gij hem aan ziet randen;
Laat trotsaards toch niet stoutlijk meer bestaan
Mij, naar hun wens, te knellen in hun banden.
Mijn ogen zijn bezweken, rood geschreid,
In 't uitzien naar Uw heil met heet verlangen,
Het heil, aan mij rechtvaardig toegezeid;
Ai, wis dan toch de tranen van mijn wangen;
Doe bij Uw knecht, naar Uw goedgunstigheid;
Leer mij Uw wet, dan zal ik troost ontvangen.
Ik ben Uw knecht, geef mij dan recht verstand,
Zo zal ik Uw getuigenissen leren,
Nu is het tijd, dat 's Heeren rechterhand
Haar kracht vertoon', in 't goddloos kwaad te weren;
Men schendt Uw wet zo stout van allen kant;
Men schroomt niet meer Uw groten Naam t' onteren.
'k Heb Uw geboon, mijn God, dies meer dan goud,
Ja, 't fijnste goud, bemind, en Uw bevelen
ln alles recht en vlekkeloos geschouwd,
Op 't hoogst volmaakt tot in hun minste delen;
'k Heb op geen pad der valsheid mij betrouwd,
Maar dat gehaat, hoezeer 't mijn vlees kon strelen.
Hoe wonderhaar is Uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;
Want d' oopning van Uw woorden zal gewis,
Gelijk een licht, het donker op doen klaren;
Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis
Van zulk een glans een eeuwgen nacht zou baren.
Ik heb mijn mond begerig opgedaan,
Ik heb verlangd, gehijgd naar Uw geboden;
Zie, zie mij dan met gunstig' ogen aan,
En wees mij nu genadig in mijn noden,
Naar 't recht van hen, die, deugdzaam van bestaan,
Uit liefde tot Uw Naam van 't kwade vloden.
Maak in Uw woord mijn gang en treden vast,
Opdat ik mij niet van Uw paan moog' keren!
En wordt mijn vlees door 't kwade licht verrast,
Ai, laat het mij toch nimmer overheren.
Verlos mij, Heer', van 's mensen overlast,
Dan zal ik U, naar Uw bevelen, eren.
Uw aangezicht vertoon, aan Uwen knecht
Een vriendlijk oog, een troostrijk liefdeteken;
Leer mij den eis van 't altoos heilig recht,
Ik stort, bedrukt, gehele tranenbeken,
Omdat men U gehoorzaamheid ontzegt,
En zich niet schaamt Uw wetten te verbreken.
Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer';
Uw oordeel rust op d' allerbeste wetten;
Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer.
Gij eist van ons, dat w' op Uw waarheid letten;
Dat wij altoos op hogen prijs Uw leer
En 't heilig recht van Uw getuignis zetten.
Mijn ijver heeft van smart mij doen vergaan,
Omdat Uw woord zo schandlijk wordt vergeten;
Mijn vijand ziet dat met verachting aan.
Uw woord is rein, dat mag gelouterd heten;
Uw knecht wil zich daar daaglijks mee beraan;
Hij heeft het lief, wijl 't hem zijn plicht doet weten.
Ik ben wel klein, veracht, maar niet verleid;
'k Vergeet in smaad noch armoe Uw bevelen.
Uw recht, o Heer', is recht in eeuwigheid;
Gij zult aan elk zijn loon of straffen delen;
Uw wet, waarin zich steeds Uw glans verspreidt,
Kan mij door 't licht der zuivre waarheid strelen.
Als 't mij benauwd of bang gevallen is,
Dan heb ik mij vermaakt in Uw geboden;
De zuiverheid van Uw getuigenis,
Blinkt altoos uit, zelfs in de zwaarste noden;
Leer mij 't verstaan, zo leeft mijn ziel gewis,
Het naar verderf in eeuwigheid ontvloden.
Ik riep U aan, o Heer', met al mijn hart;
Verhoor mij, en ik zal Uw wet bewaren;
Ik riep U aan, in druk en leed verward;
Verlos mijn ziel uit angsten en gevaren;
Dan houd ik Uw getuignis, en in smart
Zal ik daar troost en wijsheid uit vergaren.
Ik heb somtijds het scheemrend morgenlicht
Verrast, om U mijn schreien te doen horen;
'k Heb op Uw woord gehoopt, en mijn gezicht,
Eer nog het uur der nachtwaak was geboren,
Den slaap ontroofd, om, naar mijn lust en plicht,
De wijsheid van Uw reednen na te sporen.
Hoor, Heer', mijn stem naar Uw goedgunstigheid,
En geef mij naar Uw rechten kracht en leven,
Zij naadren mij, wier list mijn val bereidt;
Zij zijn in 't kwaad, in 't listig kwaad bedreven,
En wijken van Uw wet, zo wijd verleid,
Terwijl zij zich aan boosheid overgeven.
Maar, Heer', Gij zijt nabij, Gij ziet mij aan;
De waarheid is aan Uw geboon verbonden;
Ik wist van ouds reeds uit Uw woord en daan,
Dat al, wat Gij getuigd hebt, ongeschonden
En vlekkeloos voor eeuwig zal bestaan,
Gevestigd op onwankelbare gronden.
Zie mijn ellend', o Heer', en help Uw knecht,
Want Uwe wet is in mijn hart geschreven;
Ai, twist Gij Zelf mijn twistzaak naar Uw recht,
Verlos mij, sterk met nieuwen moed mijn leven,
Naar 't Goddlijk woord, mij gunstig toegezegd,
En mij ten troost in angst en druk gegeven.
Het heil is ver van 't goddeloos geslacht,
Dat, gans vervreemd van deugd en reine zeden,
Den inhoud van Uw wetten niet betracht.
O Heer', hoeveel zijn Uw barmhartigheden!
Ai, beur mij op, vernieuw mijn levenskracht,
Naar 't Goddlijk recht; verhoor toch mijn gebeden;
't Getal van mijn vervolgers is zeer groot,
Van hen, die mij als weerpartijders haten;
Maar 'k wijk van Uw getuignis in geen nood.
Ik heb gezien, hoe zij, die U vergaten,
Trouwloosheid doen; Gij weet, hoe 't mij verdroot,
Als ik hen zag Uw heilig woord verlaten.
Ai, zie, o Heer', dat ik Uw wet bemin;
Uw gunst vernieuw' mijn leven en mijn krachten.
Uw Goddlijk woord is waarheid van 't begin;
Uw recht heeft nooit verandering te wachten;
Dies houd ik dat met een verblijden zin;
Leer door Uw Geest mij dat gestaag betrachten.
Toen vorsten mij vervolgden zonder reen,
Vreesd' ik Uw woord, met die Uw heil beminden.
Ik ben verblijd om Uw goedgunstigheen,
Die meer en meer mij aan Uw dienst verbinden;
'k Vind groter vreugd in Uw beloft' alleen,
Dan hij, die ooit een groten buit mocht vinden.
Ik haat bedrog en valsheid van gemoed,
'k Heb in mijn hart een gruwel van die zonden;
'k Bemin Uw wet, die mijne ziel behoedt.
Ik loof, o Heer', aan Uwen dienst verbonden,
U zevenmaal des daags, om al het goed
En 't recht, in Uw gerechtigheid gevonden.
Wat vree heeft elk, die Uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, Heer', die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
'k Doe Uw geboon oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;
Dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen;
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
Door zijnen smaak, en hart en zinnen strelen;
Gij weet mijn weg, en hoe mijn wandel is;
'k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.
O Heer', sla toch op mijn geschrei Uw oog;
Wil naar Uw woord mijn geest verstandig maken;
Zie gunstig op mij neder van omhoog;
Laat mijn gebed voor Uwen troon genaken;
Red, daar mij 't leed zo diep ter nederboog,
Red mij naar Uw beloft', en richt mijn zaken.
Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer,
Gelijk een bron zich uitstort op de velden;
Wanneer ik door Uw Geest Uw wetten leer,
Dan zal mijn tong Uw redenen vermelden;
Want Uw geboon zijn waarlijk recht, o Heer';
Gij zult de vlijt van die U zoekt, vergelden.
Kom mij te hulp; mijn ziel, die U verbeidt,
Heeft Uw bevel met lust en liefd' ontvangen;
Ik haak, o Heer', naar 't heil, mij toegezeid;
Bestier in gunst naar Uwe wet mijn gangen;
Al mijn vermaak stel ik, met rijp beleid,
In Uw gebod; dat is mijn hoogst verlangen.
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen;
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond,
Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren;
Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;
Want hij volhardt naar Uw geboon te horen.

Bron: Psalm 119 J.E. Voet


Pt 428/Ps 119 How Blessed Are the Perfect in the Way / naar Psalm 119 - Psalter 428



Z 8 Morgenzang / H. Ghijzen - MZ
Ps 80 Neem Isrels Herder, neem ter oren / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 80
Ps 148 Looft God, zingt eeuwig 's Heeren lof / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 148
Z12 Avondzang / H. Ghijsen - AZ
Ps 149 Looft, looft den Heer', dien onbedwongen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 149
Ps 49 Gij, volken, hoort; waar g' in de wereld woont / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 49
Ps 59 Red mij, o God, uit 's vijands handen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 59
Ps 46 God is een toevlucht voor de Zijnen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 46
Ps 134 Looft, looft nu aller heren Heer' / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 134
Ps 93 De Heer' regeert; de hoogste Majesteit / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 93
Ps 133 Ai, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen / J.E. Voet - Psalm 133
Ps 38 Groot en eeuwig Opperwezen / J.E. Voet - Psalm 38
Ps 139 Niets is, o Oppermajesteit / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 139
Ps 124 Dat Israel nu zegge, blij van geest / J.E. Voet - Psalm 124
Ps 14 De trotse dwaas zegt in zijn boos gemoed / J.E. Voet - Psalm 14
Ps 57 Gena, o God, gena, hoor mijn gebeen / J.E. Voet - Psalm 57
Ps 92 Laat ons den rustdag wijden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 92
Ps 74 Waarom, o God, zijn wij in eeuwigheid / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 74
Ps 6 O Heer', Gij zijt weldadig / J.E. Voet - Psalm 6
Ps 54 O God, verlos mij uit den nood / J.E. Voet - Psalm 54
Ps 26 O Heer', doe Gij mij recht. / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 26
Ps 41 Welzalig hij, die zich verstandig draagt / J.E. Voet - Psalm 41
Z 6 Twaalf Artikelen / J.E. Voet - TA
Ps 100 Juich aarde, juich alom den Heer' / H. Ghijsen - Psalm 100
Ps 140 O Heer', verlos mij uit de banden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 140
Ps 78 Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter oren / J.E. Voet - Psalm 78
Ps 68 De Heer' zal opstaan tot den strijd / J.E. Voet - Psalm 68
Ps 83 Zwijg niet, o God, houd U niet doof / J.E. Voet - Psalm 83
Ps 25 'k Hef mijn ziel, o God der goden / J.E. Voet - Psalm 25
Ps 63 O God, Gij zijt mijn toeverlaat / J.E. Voet - Psalm 63
Ps 39 Ik zei: "Nu zal ik letten op mijn paan / J.E. Voet - Psalm 39
Z 3 Lofzang van Zacharias / Laus Deo, Salus Populo - LvZ
Ps 42 't Hijgend hert, der jacht ontkomen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 42
Ps 66 Juich, aarde, juich met blijde galmen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 66
Z10 Bedezang voor het eten / H. Ghijsen - BvE
Ps 91 Hij, die op Gods bescherming wacht / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 91
Ps 82 In d' achtbre Godsvergaderingen / H. Ghijsen - Psalm 82
Ps 120 'k Riep tot den Oorsprong aller dingen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 120
Ps 97 God heerst als Opperheer / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 97
Ps 135 Prijst den Naam van uwen God / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 135
Ps 94 Verschijn nu blinkend, God der wrake / J.E. Voet - Psalm 94
Ps 103 Loof, loof den Heer', mijn ziel / J.E. Voet - Psalm 103
Ps 7 O Heer', mijn God, volzalig Wezen / J.E. Voet - Psalm 7
Ps 45 Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen / J.E. Voet - Psalm 45
Ps 96 Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere / J.E. Voet - Psalm 96
Ps 13 Hoe lang, o Heer', mijn toeverlaat / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 13
Ps 62 Mijn ziel is immers stil tot God / J.E. Voet - Psalm 62
Ps 12 Behoud, o Heer', wil ons te hulpe komen / J.E. Voet - Psalm 12
Ps 4 Wil mij, wanneer ik roep, verhoren / H. Ghijsen - Psalm 4
Ps 123 Ik hef tot U, die in den hemel zit / H. Ghijsen - Psalm 123
Ps 27 God is mijn licht, mijn heil, wien zou ik vrezen? / J.E. Voet - Psalm 27
Ps 22 Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij / J.E. Voet - Psalm 22
Ps 98 Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere / J.E. Voet - Psalm 98
Ps 86 Neig, o Heer', Uw gunstig' oren / J.E. Voet - Psalm 86
Ps 61 Wil, o God, mijn bede horen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 61
Ps 31 Op U betrouw ik, Heer' der heren / J.E. Voet - Psalm 31
Ps 129 Men heeft mij fel benauwd van jongs af aan / J.E. Voet - Psalm 129
Ps 34 Ik loof den Heer', mijn God / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 34
Ps 9 Ik zal met al mijn hart den Heer' / J.E. Voet - Psalm 9
Ps 109 O God, zo waardig mijn gezangen / J.E. Voet - Psalm 109
Ps 131 Mijn hart verheft zich niet, o Heer' / J.E. Voet - Psalm 131
Ps 95 Komt, laat ons samen Isrels Heer / J.E. Voet - Psalm 95
Ps 23 De God des heils wil mij ten Herder wezen. / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 23
Ps 81 Zingt nu blij te moe / J.E. Voet - Psalm 81
Ps 116 God heb ik lief / J.E. Voet - Psalm 116
Ps 10 Waarom, o Heer', blijft Gij van verre staan? / J.E. Voet - Psalm 10
Z 1 Mijn ziel, herdenk met heilig beven / J.E. Voet - TG
Ps 127 Vergeefs op bouwen toegelegd / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 127
Ps 44 O God, wij mochten met onz' oren / J.E. Voet - Psalm 44
Ps 64 't Behaag' U, mij gehoor te geven / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 64
Ps 8 Heer', onze Heer, grootmachtig Opperwezen / J.E. Voet - Psalm 8
Ps 3 Hoe vreeslijk groeit, o God / J.E. Voet - Psalm 3
Ps 16 Bewaar mij toch, o alvermogend God / J.E. Voet - Psalm 16
Ps 32 Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven / J.E. Voet - Psalm 32
Ps 67 D' algoede God zij ons genadig / H. Ghijsen - Psalm 67
Z13 Eigen geschrift Davids / Abraham van der Meer - EgD
Ps 138 'k Zal met mijn ganse hart Uw eer / J.E. Voet - Psalm 138
Ps 147 Laat 's Heeren lof ten hemel rijzen / J.E. Voet - Psalm 147
Ps 104 Waak op, mijn ziel, loof d' Oppermajesteit / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 104
Ps 88 O God mijns heils, mijn toeverlaat / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 88
Ps 52 Waartoe u dus beroemd in 't kwade / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 52
Ps 58 O, gij vergadering, gezeten / J.E. Voet - Psalm 58
Ps 115 Niet ons, o Heer', niet ons, Uw Naam alleen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 115
Ps 77 Mijn geroep, uit angst en vrezen / J.E. Voet - Psalm 77
Ps 35 Twist met mijn twisters, hemelheer / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 35
Z11 Dankzang na het eten / H. Ghijsen - DnE
Ps 73 Ja waarlijk, God is Isrel goed / J.E. Voet - Psalm 73
Ps 50 Der goden God verheft Zijn stem met macht / J.E. Voet - Psalm 50
Ps 51 Gena, o God, gena, hoor mijn gebed / J.E. Voet - Psalm 51
Ps 18 'k Betrouw op God, Hij is mijn schild in 't strijden / J.E. Voet - Psalm 18
Ps 114 Toen Israel 't Egyptisch rijksgebied / J.E. Voet - Psalm 114
Ps 132 Gedenk aan David, aan zijn leed / J.E. Voet - Psalm 132
Ps 76 God is bekend bij Judas stam / J.E. Voet - Psalm 76
Ps 40 'k Heb lang den Heer' in mijnen druk verwacht / J.E. Voet - Psalm 40
Ps 89 'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen / J.E. Voet - Psalm 89
Ps 121 'k Sla d' ogen naar 't gebergte heen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 121
Ps 112 Zingt, zingt den lof van 't Opperwezen / J.E. Voet - Psalm 112
Ps 146 Prijs den Heer' met blijde galmen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 146
Ps 150 Looft God, looft zijn Naam alom / H. Ghijsen - Psalm 150
Ps 33 Zingt vrolijk, heft de stem naar boven / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 33
Ps 21 O Heer', de Koning is verheugd / J.E. Voet - Psalm 21
Ps 84 Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot / J.E. Voet - Psalm 84
Ps 145 O God, mijn God, Gij aller vorsten Heer' / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 145
Ps 144 Gezegend zij de Heer', die t' allen tijde / J.E. Voet - Psalm 144
Ps 102 Hoor, o Heer', verhoor mijn smeken / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 102
Ps 101 'k Zal van de deugd der milde goedheid zingen / J.E. Voet - Psalm 101
Ps 87 Zijn grondslag, zijn onwrikbre vastigheden / J.E. Voet - Psalm 87
Ps 107 Looft, looft den Heer' gestadig / J.E. Voet - Psalm 107
Ps 113 Gij 's Heeren knechten, looft den Heer' / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 113
Ps 108 Mijn hart, o Hemelmajesteit / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 108
Ps 1 Welzalig hij, die in der bozen raad / J.E. Voet - Psalm 1
Ps 106 Looft God, den trouwen Opperheer / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 106
Ps 85 Gij hebt Uw land, o Heer', die gunst betoond / J.E. Voet - Psalm 85
Ps 136 Looft den Heer', want Hij is goed / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 136
Ps 19 Het ruime hemelrond / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 19
Ps 122 Ik ben verblijd, wanneer men mij / H. Ghijsen - Psalm 122
Ps 11 Op God alleen betrouw ik in mijn noden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 11
Ps 15 Wie zal verkeren, grote God / J.E. Voet - Psalm 15
Ps 24 Al d' aard' en alles wat zij geeft / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 24
Ps 28 Ik roep tot U, o eeuwig Wezen! / J.E. Voet - Psalm 28
Ps 55 O God, neem mijn gebed ter oren / J.E. Voet - Psalm 55
Ps 141 'k Roep, Heer', in angst tot U gevloden / J.E. Voet - Psalm 141
Ps 17 't Behaag' U, Heer', naar mijn gebed / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 17
Ps 36 Het trots gedrag des bozen doet / J.E. Voet - Psalm 36
Ps 105 Looft, looft, verheugd den Heer' der heren; / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 105
Ps 29 Aardse machten, looft den Heer'! / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 29
Ps 47 Juicht, o volken, juicht / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 47
Ps 71 'k Betrouw op U, hoor mijn gebeden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 71
Ps 75 U alleen, U loven wij / H. Ghijsen - Psalm 75
Ps 48 De Heer' is groot; elk zing' Zijn lof / J.E. Voet - Psalm 48
Ps 143 O Heer, wil mijn gebeden horen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 143
Ps 56 Gena, o God, bescherm mij door Uw hand / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 56
Ps 111 Looft, Hallelujah, looft den Heer' / J.E. Voet - Psalm 111
Ps 125 Hij zal noch wanklen, noch bezwijken / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 125
Ps 126 Wanneer de Heer', uit 's vijands macht / H. Ghijsen - Psalm 126
Ps 118 Laat ieder 's Heeren goedheid loven / J.E. Voet - Psalm 118
Ps 137 Wij zaten neer, wij weenden langs de zomen / J.E. Voet - Psalm 137
Ps 69 O God, verlos en red mij uit den nood / J.E. Voet - Psalm 69
Ps 60 O God, hoe hebben wij getreurd / J.E. Voet - Psalm 60
Ps 117 Loof, loof den Heer', gij heidendom / J.E. Voet - Psalm 117
Z 4 Lofzang van Simeon / Laus Deo, Salus Populo - LvS
Ps 72 Geef, Heer', den Koning Uwe rechten / J.E. Voet - Psalm 72
Ps 128 U mag men zalig heten / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 128
Ps 70 Daal haastig ter verlossing neer / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 70
Ps 53 De trotse dwaas zegt in zijn boos gemoed / J.E. Voet - Psalm 53
Z 5 Gebed des Heeren / J.E. Voet - GdH
Ps 5 Neem, Heer', mijn bange klacht ter oren / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 5
Ps 79 Getrouwe God, de heidnen zijn gekomen / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 79
Ps 65 De lofzang klimt uit Sions zalen / J.E. Voet - Psalm 65
Z 7 Bedezang voor de predikatie / H. Ghijsen - BvP
Z 2 Lofzang van Maria / J.E. Voet - LvM
Ps 20 Dat op uw klacht de hemel scheure / J.E. Voet - Psalm 20
Ps 2 Wat drift beheerst het woedend heidendom / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 2
Ps 130 Uit diepten van ellenden / H. Ghijsen - Psalm 130
Ps 30 Ik zal met hart en mond, o Heer' / J.E. Voet - Psalm 30
Ps 43 Geduchte God, hoor mijn gebeden / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 43
Ps 37 Wees over 't heil der bozen niet ontstoken; / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 37
Ps 142 'k Riep tot den Heer' met luider stem / J.E. Voet - Psalm 142
Ps 110 Dus heeft de Heer' tot mijnen Heer' gesproken / J.E. Voet - Psalm 110
Ps 90 Gij zijt, o Heer', van d' allervroegste jaren / Laus Deo, Salus Populo - Psalm 90
Ps 99 God, de Heer', regeert / J.E. Voet - Psalm 99



Deze site is nog in ontwikkeling, commentaar en suggesties zijn zeer welkom!
Stuur gerust een e-mail om andere gezangen aan te vragen.

Over Gezangboek.nl

Contact