1
O dat bidden, o dat bidden, plaats van rust aan Jezus’ hart. In de stormen van dit leven droeg het mij door nood en smart. Menig donk’re, zware nacht heb ik knielend doorgebracht. Onder hete tranen hield ik aan: O, verhoor mij, o mijn God, lenigt U mijn zielennood. Help mij, Heer’, ik kan niet verdergaan.
2
Buiten waaien ruwe winden, koude sneeuw striemt door de nacht; ook van binnen raasde menigmaal zulk een storm met woeste kracht. Maar dan knielde ik voor God, schreeuwde in mijn zielennood, vurig smeekt’ ik Jezus, vol van pijn: O mijn God, U weet het vast hoe mij drukt de zondelast, hoe ik nauw’lijks staande blijven kan.
3
O dat bidden, o dat bidden. Hart’lijk dank ik U, mijn God voor Uw liefde, Uw vergeven, voor Uw hulp in mijne nood. In genade heeft U, Heer’, mij verdragen telkens weer, als ik viel, door stormen neergedrukt. Als ik heel mijn zielennood bij U klaagde, Heere God, schonk U diepe vreugde in ’t gebed.
4
O malietwa, o malietwa! V zieznie Bogam tie dana. Fskorbnoi zjieznie sreedie bietwie Patniemala tie mienja. Tjomnoj notsjoe ja nji spal, Na kaleenjag fsjo stajal Ie doesjojoe s Bogam gawariel: Tie oesliesj mienja, moj Bok, Sreedie zjieznjeniech treewok Pamagie, ja wiebielsja ies siel!