1
Hoe lief, hoe zoet en overschoon zijn de paleizen Uwer woon O God, o Heere der heerkrachten! Mijn hart verlangt met allen zeer en zucht naar Uw voorhoven Heer', mijn ziel en lijf in druk versmachten, aanroepende met groot gekrijt U, Die een Heer' des levens zijt.
2
De mus zich wel een huiske maakt, De zwaluw aan een nestje raakt, Waar zij haar jongskens zit en broedet. O God, o grote Koning mijn mocht ik bij Uw altaren zijn, om voor gevaar te zijn behoedet! Wel hem die in Uw tempel woont en U met roem en ere kroont.
3
Gelukkig boven alle maat wiens kracht op U gegrondet staat in wiens gemoed zijn rechte wegen! Al gaan ze door het dorre dal, de Heer' hun Bronne wezen zal. Ja ook de aangename regen met onverwachte overvloed hen liefelijk verversen moet.
4
Want God is vriendelijk en zoet een Zon en Schild Die ons behoedt, Hij geeft ons eer, Hij geeft genade. Hij zal de vromen van gemoed Geenszins onthouden 't rechte goed Noch storten in verderf en schade. Wel hem die altijd op God bouwt en Hem uit 's harten grond betrouwt.