1
Al wat ik hier zie met mijn ogen, al wat ik hoor of wat ik voel, daar wordt mijn ziel door opgetogen tot U mijn God en hoogste doel! De koud', de winden en de regen, het ijs, de hagel en de sneeuw; de dauw, zo lieflijk neergezegen, de donder en de bliksem meê.
2
De wonderbare wisselingen, die zomer en die winter geeft; 't gevogelt' met haar lieflijk zingen, dat boven en rondom mij zweeft; de dag, de nacht, het licht, het duister roept, ieder op zijn beurt, mij tot te zeggen tot Gods roem en luister: 'Zie, zulk een God is onze God!'
3
Ach, was mijn hart en tong steeds vaardig om al Uw werken, zo 't behoort, te prijzen; immers zijn ze 't waardig! Ach Heer', dat van mij werd gehoord Uw lof en roem, zo lang Gij 't leven mij hier vergunt; totdat Gij mij goedgunstig eens zult plaatse geven in de volzaal'ge geesten rei.
4
Waar ik dan, in volmaakte vreugde, met het volzalig eng'len tal, met zielsgenoegen in Uw deugden, o goede God, verlusten zal en eeuwig U de lof toezingen. Wiens ziel verlangt er nu niet naar? Wie van des Heeren keurelingen roept niet: 'Dit zij zo, amen, ja'?