1
Ach, wat kan de wereld geven en het ondermaans genot? O, het haalt niet bij het leven dat de ziele vindt in God! Daarbij is maar drek en slijk 's werelds goed hoe kostelijk.
2
Wat baat eer of hoge staten, wat baat rijkdom, pracht en goed, ja wat kan de wereld baten? O hoe bitter is haar zoet! God het wezenlijke Goed vergenoegt slechts het gemoed.
3
Ach, wat baat mij al de schoonheid dier er in de wereld leit. Wereld, of gij nog zo schoon zijt, Gij zijt toch maar ijdelheid. God is 't slechts Die gans voldoet aan de wens van mijn gemoed.
4
Laat ik 's werelds schoon verzaken, Jezus, door Uw grote kracht. 'k Wil uw zoet, wereld, niet smaken Ja ik walg zelfs van uw pracht. Al uw schoon word' niemendal bij mijn Jezus, 't eeuwig Al.
5
Heere Jezus, wees mijn leven, wees mijn heil en vreugdebron; Wil mij kracht en leven geven en bestraal mij, Zielezon, dat ik zie de nietigheid van al 't geen mijn van U leidt.